Vrijgevochten vrouwen

kunstenaressen op de Veluwe en in Vlaanderen, 1870-1930

19 december 2026 t/m 13 juni 2027

Vanaf 1885 ontwikkelt zich in Nunspeet een kunstenaarskolonie. Er komen in de periode tot 1940 ruim 250 kunstschilders naar de ongerepte noordelijke Veluwe. In die tijd wordt professioneel bezig zijn met kunst niet als passend gezien voor vrouwen. Kunstacademies bieden hen in die tijd geen volwaardige opleiding, hooguit hebben ze damesklassen. Toch zijn er vrijgevochten vrouwen die het penseel ter hand nemen om er als kunstenaar van te leven. Ze schilderen niet alleen fijnzinnige bloemstillevens of lieve gezichtjes, maar ook karaktervolle portretten en landschappen. Zij trekken naar buiten en maken reizen naar het buitenland.

Op de Veluwe werken o.a.: Sientje Mesdag-van Houten (1834-1909), Blanche Douglas Hamilton (1853-1927), Ima van Eysinga (1881-1958), Marie Wandscheer (1856-1936), Stans Balwé (1863-1954), Chrisje van der Willigen (1850-1931), Aletta van Thol-Ruijsch (1860-1930), Marie van Regteren Altena (1868-1958), Anna Kerling (1862-1955), Jet Dingemans-Numans (1877-1955) en Jo Koster (1868-1944).

In deze tentoonstelling tonen we ook de Europese context door vrouwen te presenteren die werken in de Vlaamse kunstenaarskolonies Genk, Tervuren en St. Martens-Latem: Euphrosine Beernaert (1831-1901), Marie De Bièvre (1865-1940), Anna Boch (1848-1936), Marie Collart (1844-1911), Louise Héger (1839-1933) die ook een Veluws landschap schildert, Jenny Montigny (1875-1937), Valerie Pholien (1873-1961) en Félicie Putzeys (1853-1929).

Vrouwelijke kunstenaars blijken zich juist in kunstenaarskolonies te kunnen ontplooien. De kunstwerken van al deze schilderessen bieden samen een overtuigend beeld van vrouwen die ondanks hindernissen een volwaardige plaats in de kunst veroveren. Ook is te zien dat deze vrijgevochten vrouwen zich inzetten voor maatschappelijke en politieke emancipatie.